De geschiedenis van Sint-Juliaan als woonkern of dorp gaat al eeuwen terug en deels valt deze samen met de kerkelijke geschiedenis van Sint-Juliaan als kapelanie, later als proosdij en vanaf 1909 als parochie.

Over deze vroege periode valt helaas niet zoveel meer te achterhalen. De belangrijkste reden hiervoor is de verwoestende impact van de Eerste Wereldoorlog, die een groot deel van het archiefmateriaal heeft laten verdwijnen.

Over het ontstaan zelf van Sint-Juliaan is niet zoveel te achterhalen. Het zou voor het eerst vernoemd zijn in 1296.
Reeds van in de 14e eeuw zou er een kapel gestaan hebben.

  • De oudste aanhaling volgens het toponymisch woordenboek van Karel De Flou luidt : “Coppin van s’geliens” (1339).
  • In een document van de Commanderij van Slype spreekt men in 1392 over “Sinte Gilliens”.
  • Vanaf de vijftiende eeuw krijgt het dorp het bijvoegsel “ten doden kinde”.
    • 1401 : “In Langemarck te sente iuliens dat men heet ten doden kinde
    • 1435 : “s. Juliens ten doden kijnde
    • 1447 : “tsynte Juliens ten doden kijnde

                De oorsprong en de betekenis van deze toevoeging kon tot nu toe nog niet achterhaald worden.

  • Vanaf de 16de eeuw wordt bij de naam van het dorp (in zijn verschillende varianten) het woord “cappelle” gevoegd.
    • 1487 : Sinte Juliens cappelle
    • 1620 : Cappelle Ste Julien
    • 1627 : Ste Juliaens Capelle
    • 1628 : Ste Julliens Capelle
    • 1636 : Ste Julien Cappelle
    • 1641 : S. Iuliens Capelle
    • 1670 : Sinte Julliaens capelle
    • 1700 : Ste Juliaens cappelle
    • 1725 : capelle van Ste Juliaens
  • Vanaf de 19e eeuw wordt er meestal gesproken over “kerk” en verdwijnt het bijvoegsel “cappelle”.
    • 1836 : St. Julien
    • 1903 : Sint Juliaan
    • 1906 : St Jelyns
    • 1909 : St Julianus

© Brochure “75 jaar Sint-Juliaan”

In de 14e eeuw behoorde het gebied van Sint-Juliaan toe aan de Zale van Ieper (= de kasselrij van Ieper).

In 1409 werd Sint-Juliaan een deel van de heerlijkheid Cleven die in dat jaar ontstond.
Deze heerlijkheid werd geschonken aan Maria, dochter van Jan zonder Vrees, gehuwd met Adolf IV, hertog van Kleve.
Het wapenschild van deze heerlijkheid is hetzelfde als dat van Wijnendale met uitzondering van de letters C.I.L. in de linkerbovenhoek. Deze zijn de afkorting voor “Cleven in Langemark”. Dit wapenschild diende gedeeltelijk als basis voor het wapenschild van het huidige Langemark­-Poelkapelle.

De heerlijkheid Cleven viel nagenoeg samen met het grondgebied van Sint-Juliaan.
Een kaart toont pachtgebieden van Cleven in Sint-Juliaan tijdens de 17de eeuw.
Tevens worden de grensgebieden vermeld: Denterghem (ten zuiden van de St.­Juliaanstraat), Vlinckambacht (ten westen van de Hanebeek), Zaele van Ipre (ten westen van de Brugseweg).
We geven de namen van enkele pachters volgens de nummers van de percelen.

  • 492      Vandebacker Pieter
  • 493      Jan Goubert
  • 494      boomgaard
  • 496      Herberg “Den Keyser”
  • 497      Herberg “De Cleene Valcke”
  • 498      School van Andries Descamps
  • 499      Hofstede
  • 500      Albertus Debacker
  • 214      land van de kerk
  • 213      Heere van Denterghem

In het gebied van Cleven lagen ook enkele percelen die eigendom waren van het Kapittel van Sint-Pieters.

Door de hertog van Kleve werd er in Sint-Juliaan een hospi­taal gesticht.
De toenmalige kapel was nauw aan dit hospitaal verbonden.
De heren van Kleve hielden nauwgezet toezicht op de werking van het hospitaal en van de kapel.

Noten:

Halfweg de 17de eeuw ontstonden er moeilijkheden rond de bediening van de kapel.
Het was sedert vele jaren de taak van de paters Augustijnen van Ieper om ‘het heilige’ in Sint­Juliaan te verzorgen : ze droegen de mis op, gaven catechis­musles en preekten op zon- en feestdagen.
Het hospitaal had ondertussen zijn betekenis verloren.

 

Een zekere pater Coudens kreeg moeilijkheden met de plaatse­lijke bevolking.
Daarom zond de hertog vier buitengewone commissarissen om de zaak te onderzoeken.
Deze verzochten de abt van de paters Augustijnen van Ieper om Joachim Brulium van de orde van de eremieten van Augustinus van Roeselare, naar Sint-Juliaan te zenden.
Daarop kwam deze enkele weken de zondagsmis opdragen.
Na een tijdje kwam men echter tot het besluit dat het voor pater Joachim toch wel erg ongemakkelijk was om elke zondag 4 mijl te moeten reizen vanuit Roeselare, terwijl de Augustijnen van Ieper slechts 1 mijl verwijderd waren.
Waarschijnlijk bleef pater Joachim het toch doen, want er werd hem een vergoeding toegekend van ongeveer 200 Brabantse florijnen.
Op die manier werd dit ambt tot grote voldoening van het volk en de paters uitge­oefend.

 

In de volgende tekst lezen we dat het ambt in 1667 weer vacant is (vertaald uit het oud_Frans):
“Door de genade van God Philips-Willem Paltsgraaf van de Rijn (Comte Paladin, hertog van Beieren, Juliaan, Cleven en Wijnendale).
Wij laten weten aan allen die nu zijn en nog zullen zijn:
Wij hebben vernomen dat de kapel van Sint-Juliaan in de heerlijkheid van Cleven in Langemark, waarvan zowel de ligging als de inkomsten ons toebehoren als heer van Wijnendale, voor het ogenblik vacant is en de persoon van Petrus Frans Debrocher ons ten zeerste door zijn be­kwaamheid en zedelijke zuiverheid aanbevolen is.
Wij heb­ben hem deze kapel door deze brief gegeven op voorwaarde dat hij ze zal bedienen of zal laten bedienen zoals het hoort en dus zal genieten van alle vruchten en inkomsten die ervan afhangen.
Gegeven te Rensberge de 31 jan 1667.”
Ondertekend door Philips-Willem en gezegeld met rode Chinese was.

 

In 1669 werd er gebouwd. Het is niet duidelijk of deze werken uitgevoerd werden aan de kapel of aan het hospitaal.
In ieder geval kwam don Louis Spinola, in naam van de door­luchtige hertog, de eerste steen leggen.
Mensen uit Roeselare voerden deze werken uit.

 

Uit de volgende tekst blijkt dat het in 1678 nog steeds Augustijnenpaters waren die de geestelijke diensten waarnamen.
“Den ondergeschrevene attesteert dat hij aan de kannunik paters Augustijnen geconsenteerd heeft die op zondagen en de heilige dagen celebreren de misse, prediceren, ca­techiseren, gelijk zij sedert lange tijd hebben gedaan in de kapel van Sint-Juliaan staande op de parochie van Langemark met grote vrucht der gemeente opdat zij zouden mogen ten offer gaan en het water wijden en daarmede het volk bestrijken, na of voor de misse, naar costume.
In teken der waarheid heeft den ondergeschrevene dit ondertekend, dezen 25e dag van februarij 1678.
Lefever paster van Langemark”.

 

In 1768 werd Sint-Juliaan, volgens het bisschoppelijk archief, nog altijd bediend door de paters Augustijnen van Ieper.
In 1770 is er sprake van een “melaetshuyse van St. Juliaen in de prochie van Langemarck/Cleven”, dit volgens een financieel overzicht van de activiteiten ervan.
Dit melaatshuis was waarschijnlijk een verzorgingsoord voor allerlei huidziekten die men niet kon definiëren en waaraan men dan de naam ‘melaatsheid’ gaf.
Het totaal van de ontvangsten van het melaatshuis bedroeg 2733 Ponden 6 Schellen 69 deniers. Deze ontvangsten kwa­men vooral voort uit verpachtingen, zodat we kunnen veron­derstellen dat de kapel en het melaatshuis talrijke eigen­dommen hadden.
Uit de uitgaven blijkt dat men de kapel grondig onderhield of restaureerde: levering van een verguld tabernakel, 5 ellen katoen als versiering voor het tabernakel, boomkens voor de cappelle, houten handwerk van de kappe,….
Totaal der uitgaven: 1527 Ponden 9 Schellen.
De inkomsten bedroegen dus bijna het dubbel van de uitgaven.

De Franse revolutie had plaats in 1789.
Dit had ook zijn gevolgen voor onze streken.
In 1793 werd door de “Convention Nationale” de Christelijke godsdienst afgeschaft.
In de plaats ervan werd de God van de “rede” gesteld.

 

Op 1 september 1796 werden alle kerkelijke goederen aange­slagen als nationaal goed.
Op 5 september van het volgende jaar werd de eed aan de republiek verplicht.
De uitoefening van de godsdienst werd verboden en de priesters moesten onderduiken.
Door het Concordaat tussen Paus Pius VII en keizer Napoleon kwam er terug godsdienst­vrijheid.

 

Rond dezelfde tijd werd er te Brugge een openbare verkoping gehouden van de nationale goederen.
Daaronder bevond zich ook de kapel van Sint-Juliaan, het huis van de proost, en haar gronden.
Een inwoner van het dorp, Vanwonterghem, kocht de kapel en de grond voor ongeveer 3000 frank.
Deze som werd bijeenge­bracht door een omhaling onder de inwoners van Sint-Juliaan.
Vanwonterghem werd echter officieel als eigenaar erkend.
Later heeft Vanwonterghem alle grond in percelen verkocht, met uitzondering van de grond waarop de kerk staat en een erf van 11 aren aan de zuidkant ervan.
Kopers van die percelen waren Decrock (huis, bijgebouwen en erf langs de noordkant) en notaris Delavigne van Poelkapelle (perceel langs de oostkant).
In 1856 overhandigde moeder Vanwonterghem, zonder haar kinde­ren ervan op de hoogte te brengen, de aankoopakte van de Franse Republiek aan proost De Deurwaarder van Sint-Juliaan.
Via pastoor Chavaete van Langemark belandde de akte bij Mgr. Malou op het bisdom.

 

In 1817 verving men de oude bouwvallige kapel door een nieuwe die pas in 1824 voltooid werd.
In 1825 kocht proost De Deurwaerder het eigendom van notaris Delavigne en schonk dat in 1863 aan de kerkfabriek van de parochie van Langemark.
Langs de noordkant van de kerk stond een huis dat vroeger diende tot woonhuis van de proosten.
Op het laatst was het bewoond door de herbergier-bakker Amand De Keizel-Decrock.
Het woonhuis van de proost was eigendom van de kerkfabriek van Langemark en stond links van de kasseiweg naar Poelka­pelle toe.
De proosten moesten elk jaar een pachtsom betalen.

 

Uit een brief aan de bisschop uit 1832, vernemen we dat de onderpastoor (De Deurwaarder) die in Sint-Juliaan woonde, moeilijk zijn werk alleen aankon.
In een brief van 1845 lezen we dat het noodzakelijk was dat een onderpastoor van Langemark op Sint-Juliaan woonde.
Deze mocht echter zijn inkomsten uit de begrafenissen eerste en tweede klasse niet ontnomen worden (+ 70 frank per jaar), want anders kon hij van zijn inkomsten niet meer leven.
Uit die brief kunnen we afleiden dat de parochie Langemark op dat ogenblik 1 pastoor en 2 onderpastoors telde, van wie er één op Sint-Juliaan woonde.
Nog in hetzelfde jaar gaf de regering haar goedkeuring voor de oprichting van de kapel van Sint-Juliaan tot hulpkerk.
De bedienaar ervan zou betaald worden als een derde onderpastoor. De kerkfabriek van Langemark moest de rest bijpassen.

Vanaf halfweg 19de eeuw eeuw merken we dat de gemeenschap van Sint-Juliaan langzaam weg groeit van de gemeenschap van Langemark.
De proosten proberen zich steeds onafhankelijker op te stellen tegenover de pastoor van Langemark.

  • In 1858 deed men een aanvraag om op Sint-Juliaan twee zondagsmissen te mogen lezen.
    Deze aanvraag werd afgewezen.
  • In hetzelfde jaar verkreeg men wel de toelating om pro­cessie te houden.
    Die moest echter gebeuren in afspraak met de pastoor van Langemark: de ene moest processie houden in de voormiddag, de andere in de namiddag.
  • In 1868-1869 waren er problemen met de woning van de proost.
    Proost Vanbruaene vroeg herhaaldelijk om een pastorie.
  • In 1872 dienden de inwoners van Sint-Juliaan opnieuw een aanvraag in bij de bisschop om een tweede zondagsmis te verkrijgen.
    Nadat het bisdom de pastoor van Langemark geraadpleegd had omtrent eventuele bezwaren tegen dit ver­zoek, werd deze aanvraag twee maanden later goedgekeurd.
    Nog in hetzelfde jaar verkreeg men eveneens de toestem­ming om de paascommunie in de kerk van Sint-Juliaan uit te delen.
  • In 1874 verkreeg men op Sint-Juliaan het recht om de plechtigheid van de “Relevailles” (= wederopname in de kerkgemeenschap na een bevalling) in eigen kerk te houden, dit tegen het negatief advies van pastoor Coevoet van Langemark in.
  • In een brief aan de bisschop in 1882 beloofde de Burg­graaf Patin de Langemarck dat hij het pensioen van de proost zou betalen indien de regering dit zou afschaffen.
    De bisschop was van mening dat dit niet zou gebeuren.
  • In 1884 kreeg proost Heldenbergh een terechtwijzing van­wege het bisdom : hij moest eraan denken dat hij nog steeds onder het gezag van de pastoor van Langemark stond en deze onderdanigheid verschuldigd was.
  • In1886 ontving de pastoor van Zonnebeke een brief waarin stond dat de bisschop een brief zou sturen aan de proost van Sint-Juliaan om op de preekstoel af te roepen dat de inwoners van Sint-Juliaan hun Pasen niet te Sint-Juliaan mochten houden (dit in tegenstelling met de vroegere toe­lating).
  • In 1888 werd de “Broederschap van de rozenkrans” opgericht.
  • In 1890 wijdde proost Heldenbergh een kapel.
  • In 1906 richtte proost Sengier een congregatie voor jonge meisjes op, onder de naam “Onbevlekte Ontvangenis”.
  • In 1908 werd de “Broederschap van het H. Sacrament” opgericht en kon men een volle aflaat verdienen door een bezoek te brengen aan de kerk van Sint-Juliaan.

Vanaf 1900 werden de tegenstellingen tussen Langemark en Sint-Juliaan steeds scherper…

  • De bevolking van het dorp groeide aan tot bijna 1100 inwoners op een 215-tal huisgezinnen.
  • Door de goede verbindingen met Ieper en Roeselare werd men minder afhankelijk van Langemark.
  • Ook had men te Sint-Juliaan de beste landbouwgrond van Langemark waardoor het dorp voornamelijk op de landbouw afgestemd raakte.
    Op Sebastol stond bijvoorbeeld een melkerij.
    In totaal telde het dorp een zeventigtal boerderijen.
    Langemark daarentegen leefde niet zozeer van de land­bouw.
  • Over het godsdienstig leven van de inwoners waren de proosten uit die tijd vol lof.
    De kerk bood slechts plaats aan ongeveer 290 mensen (zelfs het doksaal zat dan stampvol), terwijl er in de beide zondagsmissen tel­kens 350 tot 400 aanwezigen waren.
    Niettegenstaande “de benepene plaats” werd de H. Mis in stilzwijgendheid en met devotie bijgewoond, zelfs totdat de priester na de H. Mis in de sacristie was teruggekeerd.
    Ook de lofzangen en de profundis, na de H. Mis gezongen, werden door alle aanwezigen gevolgd.
  • Toch was en bleef men nog altijd parochiaan van Langemark of Zonnebeke.
    Dat betekende dat men voor de Paasplicht naar deze kerken moest en dat de Eerste (= Plechtige) Communie en de voorbereiding erop ook niet in het dorp kon worden gehouden.
    Vandaar dat de inwoners begonnen aan te dringen op het stichten van een zelfstandige parochie.
    Vooral onder proost Benjamin De Grave stak dit verlangen de kop op.
    Een eerste “overwinning” die proost De Grave behaalde, was dat de kinderen hun Eerste Communie in de eigen kerk mochten doen en dat men er ook zijn Paasplicht mocht houden.
    De toelating daarvoor kreeg hij op 8 februari 1908. Hieronder de brief die hij daarover naar het bisdom stuurde.

“Aan zijne doorluchtige hoogweerdigheid den Bisschop van Brugge.

Zijne Hoogweerdigheid late mij toe eens de zaak der Eerste Communicanten die hier op Sint-Juliaan de scho­len bijwonen voor oogen te leggen.
Als wanneer de zes weken vóór de Eerste Communie aan­komen gedurende dewelke leeringen tot naaste bereiding gegeven worden, moeten de kinders knechten en meisjes uit de scholen van Sint-Juliaan zonder bewaking in de kerke van Langemarck de leeringe volgen bij priesters en meesters (die ze niet kennen) somtijds met natte kleederen, ’t water in hunne blokken, en somstijds in ene bijtende koude.
Daarenboven ingezien den grooten afstand der scholen, moeten die kinders uit de klasse van hun school geheel den voornoen afwezig zijn maar hetgeen nog erger is en waarover de menschen kermen ’t zijn de onbeleefde wil­derachtige manieren, die zij leren en aannemen langst de baan, zoodanig dat die kinderen volgens de zegswijze der ingezetenen, slechter zijn na de Eerste Communie dan te voren.
Vandaar komt het dat de Eerste Communie hier in de ach­ting niet gehouden is. Maar wat vandaag de Eerste Com­munie betreft, den schoonsten van hun leven, zij kunnen dien dag in het ouderlijk huis niet overbrengen, noch vieren, zij zijn verplicht dien grooten dag ten vreemde ten blijven om in de verschillende oefeningen in de kerk te kunnen tegenwoordig zijn; men ziet het nooit in het eigen huis dat er een Eerste Communicant is.
Daarom heb ik aan mijnheer de pastoor van Langemarck voorgesteld van den last der bereiding tot den Eersten Communie zelve op mij te nemen, ingezien het geestelijk en zedelijk nut der kinders en den groote en vurige be­geerte der ouders. En toch na herhaalde pogingen heeft meneer de pastoor hierin toegestemd.”
Diensvolgens wordt er gevraagd: (geresumeerd)
-Bekrachtiging dat de kinderen van Sint-Juliaan hun Eerste Communie in de kapelle mogen doen.
-De Paaschplicht ook in dezelfde kapelle te mogen doen.

Vanaf het begin 1908 begon de werking om de proosdij van St.-Jelyns tot parochie op te richten, dit naar de wens en het verlangen van de inwoners en van deken Debrouwer van Ieper en met de goedkeuring van mgr Waffelaert, bisschop van Brugge.

  • Op 10 april gaf de bisschop opdracht aan kannunik Houtaeve om zich met de oprichting van Sint-Juliaan bezig te houden en op 25 augustus was er een vergadering om de opportuniteit van de oprichting na te gaan.
  • Dit streven naar een zelfstandige parochie droeg niet de goed­keuring van iedereen weg: er kwam tegenkanting vanwege E.H. Coevoet, pastoor van Langemark en van de burgerlijke overheid van Langemark en Zonnebeke.

Hieronder worden per wijk of hoek, de motieven besproken voor of tegen de oprichting van de parochie, in chronologische volgorde van de werking om tot Sint-Juliaan te behoren.

De Hooglicht
De pastoor van Langemark wenste dat de Hooglicht tot de parochie Langemark zou blijven behoren.
Vermoedelijk lag de welstand van de bewoners van deze wijk aan de basis van dat verlangen.
De Hooglicht was toen immers heel wat uitgebreider dan nu want na de eerste wereldoorlog werden een veertiental huizen niet heropgebouwd.

Dat de bewoners geen verzoekschrift opgesteld hebben om tot Sint-Juliaan te behoren, vernemen we uit een brief die de voormalige proost Sengier in oktober 1908 aan de vicaris-generaal van het bisdom stuurde.
Hij schreef dit toe aan proost De Grave die daarvoor niet geijverd had “uit vreeze van Langemarck te misdoen, immers hij heeft de handen ge­bonden”.

De motieven om wel tot Sint-Juliaan te behoren, luidden volgens E.H. Sengier als volgt :

  • De wijk ligt dichter bij de kerk van Sint-Juliaan dan bij deze van Langemark.
    “Die nabijheid van de kerk verleent aan de inwoners een bijzonder gemak om de goddelijke diensten bij te wonen en zich van hun christelijke plichten te kwijten, om de kinderen naar de doop te dragen en voor de vrouwen hun kerkgang te doen.
    De nabijheid is ook voordelig voor bejaarden, gebrekkigen en zieken die moeten bezocht worden en soms haastig van de H. Sacramen­ten moeten bediend worden.”
  • De kinderen komen naar Sint-Juliaan.
  • De jonge dochters zijn in Sint-Juliaan in de Congregatie.
  • Ook de ligging op de kaart is van tel : “dien hoek is aan Sint-Juliaan gelijk genageld”.

Vóór deze brief van E.H Sengier had E.H. De Grave echter ook al een motivatie naar het bisdom gestuurd. Zijn motivatie bestaat uit een deel van bovenstaande argumenten, samen met nog enkele andere:

  • Sedert onheuglijke tijden komen de inwoners naar de kerk van Sint-Juliaan.
  • Sedert enige jaren kwijten zij er hun Paasplicht en houden de kinderen er hun Eerste Communie.
  • De kiezers van de Hooglicht moeten in Sint-Juliaan gaan stemmen.

De Keerselaere
Dat de welstand van de bewoners zeker meespeelde in de mo­tieven om een bepaalde hoek bij één der beide parochies in te lijven, wordt duidelijk geïllustreerd door de Keerselare.

  • Hoewel de Keerselare tussen Langemark en de Hooglicht ligt en Langemark graag had gehad dat de Hooglicht aan hen bleef, wilde Langemark ten hoogste 6 van de 19 gezinnen van de Keer­selare bij de parochie hebben, “wel te verstaan, de welheb­bendsten”.
  • De rest van de huizen, behorend tot de “zevenkoten“, waren bijna allemaal door “dischgenooten” (= mensen die af­hankelijk waren van wat wij nu het O.C.M.W. noemen) bewoond en deze waren dan goed voor de parochie Sint-Juliaan.
  • De gemeenteraad van Langemark was echter ook voor het vol­gende bevreesd:
    “In geval Sint-Juliaan ooit een gemeente zou worden, Langemarck met hare voorzienigheid, zou willen dat die dischgenooten ook van Sint-Juliaan zullen afhanke­lijk zijn.”

Dat Sint-Juliaan echter ook niet happig was om de Keerselare aan te hechten, blijkt uit de volgende motivering:

  • De huizen zijn slechts 20 tot 25 minuten van de kerk van Langemark gelegen, maar ook 15 tot 20 minuten van de kerk van Sint-Juliaan.
  • De inwoners komen zelden of nooit naar de mis op Sint­-Juliaan.
  • Enkele kinderen wonen de lessen bij in Langemark.
  • “De inwoners begeeren niet aan de nieuwe parochie toe te behoren.”

De Fortuinhoek
De meeste bewoners van de Fortuinhoek wensten tot de nieuwe parochie te behoren, enkelen hadden geen mening, maar niemand verzette zich er­tegen. Op deze hoek was er wel een petitie opgemaakt die oorspronkelijk niet door iedereen getekend werd. In januari 1909 echter, verklaarden de 17 gezinshoofden unaniem dat zij geen enkel ander verzoekschrift (bv. om tot Zonnebeke te be­horen) getekend hadden.

Als motivatie brachten zij volgende feiten aan:

  • Zij komen allen regelmatig naar de kerk van Sint-Juliaan en gaan nooit naar Zonnebeke naar de mis, tenzij met Pasen, om er zich van hun Paasplicht te kwijten.
  • Alle kinderen komen naar Sint-Juliaan naar school.
  • Alle kinderen volgen de voorbereiding op de Eerste Communie te Sint-Juliaan, met uitzondering van de drie of vier laatste dagen. Dan moeten zij naar Zonnebeke.
  • Als de kinderen de “dagschool” verlaten hebben, komen zij de zondagsschool bijwonen op Sint-Juliaan.
  • De afstand van de kerk van Sint-Juliaan bedraagt amper 2 tot 20 minuten, terwijl men 45 tot 75 minuten van Zonnebeke verwijderd is.
  • Het gemeenteraadslid van Zonnebeke, Leonard Pauwelyn, die op de Fortuinhoek woont, is in de grond voor Sint-Juliaan en is eraan gehecht.
  • De Fortuinhoek is “sedert onheugelijke tijden” gelegen binnen de grenspalen van Sint-Juliaan.
  • De inwoners vieren hun kermis tesamen met Sint-Juliaan en nemen deel aan alle feesten die plaats hebben op Sint­Juliaan.
  • Ze zijn lid van de Boerenbond en de “vleeschbond” van Sint-Juliaan.

Voor de tegenargumenten: zie Nachtegaalhoek.

De Nachtegaalhoek
De Nachtegaal is een wijk tegen de grens van Zonnebeke.

De bewoners van de Nachtegaalhoek verlangden bij Sint-Juliaan te horen.
Dit weten we door een petitie van 2 januari 1909.
Eerst hadden de bewoners een andere petitie ondertekend waar­in stond dat zij bij Zonnebeke wensten te blijven.
Ze deden dit “om diegene die ermee rond ging en die tot de buren be­hoorde, tevreden te stellen”.
Later veranderden zij van mening en stuurden een nieuwe petitie naar het bisdom waarin zij hun verlangen kenbaar maakten om tot Sint-Juliaan te behoren.

Hun belangrijkste argumenten waren:

  • Ze zouden slechts 25 tot 35 minuten van hun nieuwe parochiekerk verwijderd zijn, i.p.v. 60 tot 75 minuten vroeger.
  • Van tijd tot tijd volgden ze de H. mis in Sint-Juliaan.
  • De “jonge dochters” volgden de zondagsschool op Sint‑Juliaan en één ervan is zelfs “O.L.V.-maagd”.
  • Alle kinderen komen naar school op Sint-Juliaan.

Tegenmotieven vanwege de gemeente- en kerkraad van Zonnebeke om de Fortuinhoek en Nachtegaalhoek bij Zonnebeke te houden:

  • Volgens proost De Grave hebben deze raden actie gevoerd “zonder hoop van eenen goeden uitslag te hebben : de getuigenis ervan is het woord van den heer secretaris der gemeente en van de eerw. heren Pastor en onderpastors. Maar zij geven te kennen dat deze hopeloze bewerking gedaan is om te behagen aan de neringdoeners en aan de gemeentekiezers, en daar­mee menen zij voldaan te hebben.”

Samengevat

  • De welstand van de bewoners van een bepaalde wijk speelde een grote rol.
    Dit komt al dan niet uitdrukkelijk tot uiting in de brieven om tot een bepaalde parochie te be­horen.
  • De parochie Langemark en pastoor Coevoet boden de grootste tegenkanting om de Hooglicht bij Sint-Juliaan te voegen.
  • De geestelijke en burgerlijke overheid van Zonnebeke boden eerder een symbolische weerstand tegen de aanhechting van de Fortuin- en Nachtegaalhoek bij Sint-Juliaan.
  • Slechts de Hooglicht en de Nachtegaalhoek werden bij Sint­Juliaan gevoegd.
    De Keerselare bleef bij Langemark en de Fortuinhoek bij Zonnebeke…

Uiteindelijk werden de grenzen van de parochie Sint-Juliaan, definitief vast­gelegd in 1909.
Op 13 maart 1909 werd het koninklijk besluit van de oprich­ting tot parochie goedgekeurd.
Het werd op 29 maart afge­kondigd in het Belgisch Staatsblad.

Hieronder het besluit van het bisdom :

“Daar de parochie van Langemark zich zo wijd van ons bisdom uitstrekt dat het nauwelijks mogelijk is om deze als een parochie te besturen;

Daar er een kapelanie bestaat in een wijk van deze parochie, aan wie de naam van de H. Juliaan gegeven is.

Deze kapelanie, die toch tamelijk uitgebreid is en sedert vele jaren terug – tot in de oudheid – gekend is, werd op deze plaats opgebouwd en is toegewijd aan de H. Juliaan martelaar. Deze kapelanie heeft een gebied gelegen rond de kerk, dat vastgesteld en aangeduid werd binnen welbepaalde grenzen die door de regering werden goedgekeurd.

Daar tenslotte de inwoners van deze kapelanie, ten getalle van bijna 900 uit Langemark zonder de 95 uit Zonnebeke te vergeten, dit heilig gebouw toegewijd aan de H. Juliaan als hun eigen parochiekerk bezoeken en er gewoonlijk samenkomen; daar het veel dichter en sedert lange tijd gemakkelijker te bereiken is;

Zo hebben … eensgezind wij kunnen vragen deze kapelanie tot parochie op te richten zodat zij als echte parochianen kunnen ingeschreven worden, opdat zij daar ter plaatse zou­den kunnen genieten van de rechten die aan een parochie ver­bonden zijn en er ook aan hun verplichtingen zouden kunnen voldoen.

Bijgevolg komt het dat wij – na lang en wijselijk overwegen voor de Heer, en na allen aanhoord te hebben wie het aanbe­langt – deze voornoemde kerk, aan de H. Juliaan gewijd, als nieuwe kerk oprichten, zoals wij voorgesteld hadden, onder de titel en aanroeping van dezelfde heilige die de zoon van de H. Symforosa was en wiens gedachtenis in het Romeins Bre­vier voorkomt op de 18de juli.

Aan deze kerk, door ons nieuw opgericht, kennen wij deze gebieden van Langemark en Zonnebeke toe, die uitdrukkelijk omschreven werden door het regeringsbesluit van 13 maart 1909 (Belgisch Staatsblad, 23 maart 1909, p. 1752). Dit gebied onttrekken we voor altijd uit het rechtsgebied van Langemark en Zonnebeke.”

  • Op 29 april 1909, een zestal weken na de officiële stich­ting van de parochie, werd E.H. De Grave benoemd als pas­toor van Sint-Juliaan.
    Voordien was hij er precies twee jaar werkzaam geweest als proost en dus als onderpastoor van Langemark.
  • Onmiddellijk na de plechtige inhuldiging werd de raad van de kerkfabriek samengesteld, met goedkeuring van de bevoeg­de overheid.
    E.H. De Grave had twee weken voordien de volgende personen aan het bisdom voorgesteld, als beste onder de kandidaten : August Decock, Hubertus Dubois, Henri Callens, Emiel Soenen en Emiel Vanheule.
  • Bij de gemeentelijke overheid werd een aanvraag ingediend om rond de kerk een kerkhof in te richten voor de nieuwe parochie.
    Op 29 juni 1909 werd de goedkeuring gegeven, nadat de lig­ging en de aard van de grond onderzocht was door de heer Ghyoot, geneesheer van de gezondheidscommissie te Kortrijk. Het kerkhof was volledig klaar op 18 maart 1910 en werd met toelating van Mgr. de bisschop plechtig gewijd op 5 april.
  • Bedevaarten:
    Er ontstond een grote toeloop ter ere van Sint-Antonius, de Eremijt (met zijn zwijntje). Die toeloop was begonnen onder stimulans van E.H. Sengier.
    Ook kwam men in de kerk van alle kanten dienen tegen de kattenziekte; men bracht zelfs de zieke kat mee om ze te belezen.
  • Sedert enkele jaren reeds bestond het plan om de kerk met een zijbeuk te vergroten.
    Het plan zelf bleef aanvankelijk liggen omdat men wenste te wachten tot Sint-Juliaan een zelfstandige parochie was.
    E.H. Deken van Ieper had echter al met bouwkundigen over deze zaak onderhandeld.
    Op 1 januari 1910 werd het plan van de vergroting van de kerk goedgekeurd.
    De vergroting was voltooid in 1912.
  • Het huis dat voor de oprichting van de parochie door de proosten werd bewoond, was eigendom van de moederkerk van Langemark.
    De proosten waren huurders en moesten elk jaar 125 frank huurgeld betalen.
    Het huis zelf was niet behoorlijk en was niet geschikt om als pastorie dienst te doen.
    E.H. De Grave kocht daarom zelf een woonhuis en schonk het op 6 november 1910 aan de kerkfabriek, samen met een erf van 1 a 80 ca en een uitweg van 70 ca.
    De kerkfabriek bezat op dat ogenblik nog geen eigendommen want pas in 1923 werden de goederen van de kerk van Sint-­Juliaan door de kerkfabriek van Langemark aan deze van Sint-Juliaan overgedragen.
    Officieel kwam men pas tot een wettelijke verdeling bij de afkondiging ervan in het Belgisch Staatsblad op 24 juli 1948.
  • Op 10 augustus 1910 werd er door de kerkfabriek een erf­dienstbaarheid gevestigd:
    over de grond van de juffrouwen Eulalie en Maria De Schrevel (bierbrouwsters) verkreeg men een rechtstreekse toegang van 4 m breed en 11,5 m lang tot de kerk.
    Deze erfdienstbaarheid zou geldig blijven zo­lang de katholieke dienst er zou plaats vinden.
    De kerkfabriek had het recht om op de scheidingslijnen boompjes en hagen te planten en ook om de uitweg te kassei­en of te makadamiseren.
    Getuigen wij deze akte waren: Henri Carette (rustend post­bode) en Edouard Meulebrouck (schoenmaker).
  • Op 12 juli 1912 kocht de kerkfabriek een erf van 1 a 68 ca van Rosalia Decrock (herbergierster), weduwe van Amand Dekeizel. Deze grond diende waarschijnlijk voor het bouwen van de zijbeuk van de kerk.
    Getuigen waren : Joaimes Debrauwer (schoenmaker) en Joseph Debrauwer (gareelmaker).

De tekst hieronder is grotendeels overgenomen uit het ‘Liber Memorialis’ van de Kerkfabriek van Sint-Juliaan.
De getuigenissen zijn gebaseerd op de interviews die begin de jaren 1980 werden afgenomen.

Deze periode kunnen we laten starten in de vroege morgen van 1 augustus 1914.
De dagen voordien werd er natuurlijk veel gepraat over een eventuele oorlog, maar eigenlijk hield niemand het voor mogelijk dat ook Sint-Juliaan er kon in betrokken worden.

We laten Marie Hoorelbeke-Six aan het woord:

“Toen mijn man thuis kwam van zijn werk als knecht op de boerderij, kwam de mogelijkheid van een oorlog ook ter sprake. Camiel antwoordde: Ach Marie, laat ons slapen, we gaan er eens over klappen als het werkelijk nodig is”.

In de vroege ochtend van de volgende dag, 1 augustus 1914, werden de inwoners van het dorp gewekt door de veldwachter die hen kwam vertellen dat alle oud-soldaten zich binnen 24 uur naar hun eenheden moesten begeven. Onder hen bevond zich ook Camiel. Marie zag haar man pas na de oorlog terug…

Veel ouders en echtgenoten zagen hun kinderen en mannen met pijn in het hart vertrekken, bevreesd voor hun leven dat zo kostbaar was voor het bestaan van het gezin. De vrees werd nog versterkt door de gruwelijke verhalen over de wreedheden die de vijand zou hebben begaan.

De postboden werden dagelijks aan de deur opgewacht door degenen die achterbleven, in de hoop wat nieuws over hun soldaten te vernemen. Zij die niets ontvingen beschouwden dit als een slecht voorteken.

Zoals in de meeste slechte tijden kon men ook nu een toename van de godvruchtige activiteiten onder de inwoners vaststellen.
Bijna iedereen gaf gehoor aan de oproep van de geestelijke overheid tot publieke gebeden.
Iedereen wilde aanwezig zijn in de Heilige Missen en de boeteprocessies.
De Heilige Communie, de vespers, het lof en de missen op gewone werkdagen kenden veel bijval.
Er werden bedevaarten georganiseerd naar Onze-Lieve-Vrouw van Westrozebeke, nu eens voor vrouwen, dan weer voor mannen.
Eerwaarde De Grave bezocht dikwijls zijn beproefde parochianen om hen te troosten.

Toen de burgerlijke overheid bevel gaf om elk wapen in te leveren, verwekte dit een algemene mistevredenheid.
De meest verbitterden riepen uit: “We moeten ons nu alleen nog maar laten doodschieten”.
Alleen de burgerwacht was nog een tijdje gemachtigd wapens te dragen, maar ook haar leden werden al­gauw onbevoegd verklaard en moesten hun wapens inleveren.
Bij de nachtwacht die was opgericht om de wegen tegen eventu­ele vijandelijke plannen te bewaken, hadden de wakers alleen stokken als verdedigingsmiddel.
Op hun ronde hebben zij echter nooit een vijandelijke ontmoeting gehad.

De vrees van de inwoners verbeterde er niet op toen dichte drommen vluchtelingen uit alle hoeken van Belgié in de streek toestroomden.
Toen er op een dag in het station van Langemark een groep van 180 vluchtelingen uit de trein stapte, hoefden de inwoners van Sint-Juliaan zich niet te bekommeren om het onderdak en de voedselvoorziening voor deze vreemdelingen.
Niettemin toon­den zij hun medelijden en liefdadigheid tegenover die ongeluk­kigen die uit hun woning verjaagd werden.

Later werden een tiental vluchtelingen uit Rijsel naar Sint-­Juliaan doorgestuurd om er een verblijf te zoeken.
Ze werden met open armen ontvangen en kregen onderdak in een lokaal van de jongensschool.
In de meisjesschool kregen ze te eten.
Na twee weken trokken zij naar hun stad terug, dankbaar voor het goede onthaal dat ze van de inwoners kregen.

Toen de Uhlanen in de omgeving verschenen, steeg de angst ten top.
De Uhlanen waren een soort Duitse verkenners die grenze­loos stoutmoedig waren en op hun tochten soms dagreizen vóór het gros van het leger uit waren.
Het waren ervaren ruiters, die als de wind opdoken en even vlug weer verdwenen.
Ze trok­ken meestal voorbij als het donker was, je kon alleen het ge­trappel van de paarden horen.
Ze lieten de mensen met rust maar toch was iedereen bang. Talrijke gezinnen sliepen samen in één kamer, uit angst dat ze zouden binnenvallen.

Van dan af kwamen dagelijks brigades Belgische gendarmen en soldaten in het dorp op de loer liggen “om ze te koelen te leggen”.
“Het was als een ware jacht naar menschen gelijk naar ’t wild”.
Op Sint-Juliaan werd echter niemand gedood.
Vanaf dit ogenblik bleven de kinderen thuis van school.
Veel volwassenen verlieten hun huis niet meer.

Op een zekere avond kwamen er geheel onverwacht, 250 Bel­gische ruiters in het dorp aan.
Het was als een bestorming.
Op straat, in de stallen en in de huizen was er gewoel en verwarring.
Immers, er moest onderdak gezocht worden voor de soldaten, en de paarden moesten gestald en gevoederd wor­den.
Niet iedereen vond een bed en vele paarden bleven langs de straat of aan deuren gebonden achter.

De commandant en zijn luitenant vonden hun avondmaal en on­derdak bij de pastoor.
De omgeving verkennend, kwamen zij meerdere malen naar Sint-Juliaan terug.

Begin oktober kwam een regiment Franse Territorialen aan.
Zij waren met een duizendtal.
Velen moesten in het omliggende een schuilplaats zoeken en met één slag waren alle eetwaren uitgeput.
Zij zetten zich aan het werk om loopgrachten te graven rond de dorpsplaats.
De volgende dagen waren bakkers en winkeliers hun koopwaar uitgevochten.

Een zestal inwoners werden, ten onrechte, als spion opgepakt omdat ze ‘s avonds hun dieren wegbrachten en daarvoor een lantaarn mee hadden om de weg te verlichten.
Ze werden op een rij tegen de muur van de meisjesschool geplaatst.
Velen dachten dat ze zouden gefusilleerd worden.

Lange rijen vluchtelingen uit Roeselare, Passendale, West­rozebeke, Poelkapelle, enz. trokken toen door het dorp, ver­jaagd door het Duitse leger dat hen op de hielen zat.
Tot dan toe hadden de inwoners nog niet gedacht dat hen het­zelfde lot zou te wachten staan.
Het duurde echter niet lang meer.
Op 20 oktober kwam het bevel van de gemeentelijke over­heid dat de inwoners zo gauw mogelijk hun huis en het dorp moesten verlaten.
Dit nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje.
Een dokter van het Franse leger verzekerde de pas­toor dat de vijand klaar lag voor de aanval.
Ook de krijgs­overheid bevestigde dat het gevaar tegen de avond waarschijn­lijk groot zou zijn.
Eerst kwamen Franse, dan Engelse soldaten gestadig toe, terwijl de inwoners zich, op enkelen na, voor­bereidden om het gevaar te ontvluchten.

Het weeshuis werd ontruimd.
De zusters en een twintigtal kinderen vertrokken. De andere kinderen (een dertigtal) had men naar hun familie kunnen terugzenden.

De inwoners van de noord- en oostkant konden de Duitsers reeds zien aankomen en hoorden de geweerkogels rond hun oren fluiten.
Deze van de zuidkant maakten van ver kennis met de schrapnels.
Tegen de middag begon de algemene uittocht naar Ieper of naar dorpen in het omliggende waar familieleden of bekenden woonden.

We laten Martha Dewilde-Vanhove vertellen:

“Wij vluchtten naar Dikkebus omdat we daar familie hadden.
Mijn ouders en de zes kinderen op paard en kar.
We hadden het nog goed in vergelijking met anderen die vluchtten met steekkarren, kruiwagens, enz.
Het waren er een hele rij.
Omdat we dachten dat het slechts voor enkele dagen was, had­den we alleen het meest noodzakelijke meegenomen, geen kleren of geld.
Ik had een mooie pop in mijn armen.
Mijn moeder zei: Laat ze toch hier, ze zal helemaal kapot gaan
.”

Inderdaad, velen dachten dat de vlucht hoogstens enkele dagen zou duren.
Daarom lieten ze hun bezittingen thuis, ervan over­tuigd dat ze één van de volgende dagen toch zouden terugkeren en dat al wat ze meesleurden toch maar een last was.

De volgende nacht kwam het tussen Langemark en Sint-Juliaan tot een treffen tussen de twee legers.
Een terugkeer bleef voorlopig uitgesloten.
Velen bleven nog een tijd rondzwerven rond Dikkebus, Brielen, enz., terwijl hun woning in handen viel van de soldaten: kelders werden geleegd, voedselvoor­raden aangesproken, kleren meegenomen, meubels werden gebruikt waar het het best paste: op straat of in de loopgraven; bedden werden weggesleurd, brandkasten opengewrongen, geld en papieren ontvreemd.
In de woningen maakte men vuur zodat de vlammen soms tot tegen het plafond oplaaiden.

Ondanks alle gevaren waagden de stoutmoedigsten het, tegen het bevel van de militairen in, om toch eens te gaan kijken hoe het thuis was.

We luisteren opnieuw naar het getuigenis van Martha Dewilde­Vanhove:

“Vader ging dagelijks naar Sint-Juliaan om te kijken of het huis nog niet beschadigd was.
Hij had ons geld en papieren begraven in een gangetje tussen de bakkersoven en de kolen­hoop: het gouden geld in een fles en het papiergeld in een ijzeren kist.
De vierde of vijfde keer raakte hij thuis en kon hij het geld uitgraven in aanwezigheid van een Franse soldaat die de bajonet op het geweer had.
Vader was bang; hij kende ook bijna geen Frans.
Hij wreef met de vingers over elkaar om te beduiden dat hij geld zocht en maakte duidelijk dat hij zes kinderen had.
Toen hij alles gevon­den had, gaf hij de soldaat een beloning.
Voor vader ver­trok, wilde hij nog eens kijken of de hoeve van zijn broer er nog stond.
Om beter te kunnen zien, kroop hij op de ba­lie maar werd onmiddellijk beschoten.
Op handen en voeten keerde hij door de grachten naar Dikkebus terug.”

Charles Vuylsteke had minder geluk: ook hij kwam geregeld kijken hoe het met zijn boerderij gesteld was.
Op zijn tweede of derde tocht werd hij dodelijk getroffen.

Wie zo stoutmoedig was geweest om helemaal niet te vluchten, tartte het noodlot, zo bijvoorbeeld de familie Henri Bordeaux.
Henri zei: “Ik ga voor niemand weg!”
Een van de eerste bom­men die afgeschoten werden, kwam terecht op zijn huis.
Henri en een zoon werden gedood, de oudste zoon werd zwaar gewond, de anderen liepen lichtere verwondingen op.

Toen de vluchtelingen begonnen te beseffen dat er van een spoedige terugkeer geen sprake was, trokken ze verder: velen naar Poperinge of naar het noorden van Frankrijk, waar ze met de trein of in “beestecamions” werden weggevoerd, verder Frankrijk in.

Voor velen was dit een ware zwerftocht die voor sommigen zelfs tot in Zuid-Frankrijk leidde.

Ten gevolge van de slechte hygiënische omstandigheden en het voedseltekort, werden vele vluchtelingen tijdens de eer­ste oorlogswinter door tyfus geveld.
Volgens getuigenis van Gerard Ghyselen is bakker Henri Deforche eraan overleden.
De volgende inwoners van Sint-Juliaan werden allen met tyfus opgenomen in het noodhospitaal dat ondergebracht was in de gebouwen van de psychiatrische instelling van het H. Hart te Ieper.