Invloed van de militaire verrichtingen op de werking in Wisques en Wizernes

De invloed van de militaire gebeurtenissen

Uiteraard heeft het militaire verloop van de oorlog een grote invloed op de geschiedenis van de vluchtelingen en ‘de kolonies’ in het algemeen en het weeshuis van Wisques in het bijzonder.

Enerzijds liggen Wisques en Wizernes niet zó ver van de Westhoek.  De militaire gebeurtenissen in de Westhoek laten zich bijgevolg voelen tot daar.
Wie geïnteresseerd is in het militaire verhaal, kan eventueel terecht op het overzicht: De slagen in de Westhoek.
Ik gebruik hieronder dezelfde structuur.

Anderzijds liggen Wisques en Wizernes volop in de geallieerde ondersteuningszone.  Het is de zone waar troepen komen uitrusten, opleiding krijgen, waar ook militaire hospitalen worden uitgebouwd.
Camille Delaere weet daar zijn voordeel uit te halen voor beide weeshuizen en zorgt voor het leggen en het behouden van de nodige contacten met de militaire overheden.  Op die manier kunnen beide weeshuizen genieten van allerlei vormen van ravitaillering.  De kinderen kunnen deelnemen aan film- en toneelvoorstellingen, de militairen zorgen voor ‘de kerstboom’, de kinderen kunnen er dagelijks de overschotten van voedsel ophalen, …

Op “Schuwe maandag” 19 oktober worden Duitse eenheden te Roeselare door een restant Franse soldaten vanuit een hinderlaag beschoten. Achteraf verdwijnen de Fransen zonder dat de Duitsers één Fransman gezien hebben. De Duitsers besluiten dan maar : “Die Zivilisten haben geschossen !” Baldadigheden vanwege de Duitsers zijn het gevolg: op veel plaatsen wordt brand gesticht en op verschillende plaatsen worden groepen burgers doodgeschoten.
Het nieuws van de gebeurtenissen te Roeselare verspreidt zich snel in de dorpen tussen Roeselare en Sint-Juliaan. Een groot deel van de bevolking slaat, al dan niet op bevel van de bezettende Britten of Fransen, op de vlucht.

Voor heel wat meisjes die een halfjaar later in Wisques terecht komen, zit hier het begin van ‘Mijne lotgevallen binst den oorlog’

De Ieperboog (de Ypres Salient) wordt gevormd door de botsing tussen ervaren Britse en Franse actieve eenheden aan de binnenzijde van de boog en onervaren Duitse reservisten aan de buitenzijde.

De Britten en Fransen hebben nog net de kans gekregen om zich in een boog rond Bikschote, Langemark en de Steenakkermolen (“Totenmühle”) te St.-Juliaan te verschansen. De Duitse taktiek bestaat er in de infanteristen in rijen te laten opmarcheren in de richting van de vijand, aanvalsgolf na aanvalsgolf …

Duitse reservekorpsen, die onvoldoende training hebben genoten, worden na dagenlange marsen onmiddellijk de vuurdoop ingejaagd. Ze beschikken over weinig of geen middelen als spaden, bijlen, e.d. om loopgrachten aan te leggen. Schouder aan schouder trekken ze op tegen een goed verscholen en beschutte vijand in Langemark.

Voor de 22 overgebleven weesmeisjes die toen nog niet weggehaald werden uit het weeshuis in Sint-Juliaan, begint in deze militaire fase hun verhaal.
Op ‘Schuwe maandag’ 19 oktober 1914 passeerden honderden vluchtelingen uit de regio tussen Sint-Juliaan en Roeselaere door ons dorp. Een aantal van hen vroeg én kreeg onderdak in het klooster en het weeshuis, anderen trokken verder, op de vlucht voor de Duitse troepen.
De volgende morgen (20 oktober 1914) vluchtten de meeste dorpelingen en werden het klooster, de school en het weeshuis in Sint-Juliaan ontruimd. Ruim de helft van de wezen kon vooraf nog bij familie ondergebracht worden. De resterende 22 meisjes konden niet tijdig weggebracht worden en vluchtten met Zuster Paula en enkele medezusters naar Sint-Jan-ter-Biezen (Watou).
Moeder-Overste Zr. Godelieve volgde hen met de drie resterende zusters de volgende dag 21 oktober, de dag dat aan de oostkant van Sint-Juliaan de eerste man-tegen-man gevechten écht begonnen en er geen burgers meer in  het dorp waren.

De eerste oorlogswinter deed zijn intrede en liet de gevechten stilvallen. De troepen langs weerszijden van de frontlinie groeven zich in en probeerden zich zo goed als mogelijk tegen de natuur te beschermen zonder voldoende kleding en zonder geregelde warme voeding. Voor het eerst maakte men kennis met “pieds de tranchées” of “trench-feet”.

Dit is de periode van het zwerversbestaan van de vluchtelingen van na de ontmoetingsgevechten en ‘Schuwe maandag’ en die gestrand waren in Sint-Jan, de Potijze, Ieper, Boezinge, Elverdinge, Woesten, Vleteren, Dikkebus, Vlamertinge…
Tijdens de eerste paniek bij het uitbreken van ‘De eerste slag bij Ieper’ waren ook heel wat inwoners uit Ieper (de stad) gevlucht, maar toen het er op leek dat de gevechten enkele weken later stilvielen, keerden velen terug naar hun woning.

Rond nieuwjaar barst er in de regio een zware tyfusepidemie uit die onder de burgerbevolking heel wat dodelijke slachtoffers maakt.  Dit zorgt er voor dat heel wat kinderen, al dan niet tijdelijk, ouderloos worden omdat hun ouders gestorven zijn of weggevoerd naar ziekenhuizen als het noodhospitaal in de gebouwen van het H. Hart in Ieper, het O.L.Vr.-hospitaal in Poperinge, het noodhospitaal Elisabeth ook in Poperinge, of verder naar ziekenhuizen in Frankrijk als Malasisse, Montreuil, Hazebrouck…

Het is om deze kinderen te helpen dat Camille Delaere (toen nog pastoor van de Sint-Pietersparochie in Ieper) in maart 1915 beslist om de twee weeshuizen op te starten in Wisques (meisjes en baby’s en peuters in de ‘crèche) en Wizernes (jongens).
Het zijn de zusters van Sint-Juliaan die Wisques zullen ‘uitbaten’.

Uit het oorlogsdagboek van Zuster Margriet (van de ‘Lamotjes’) op 26 maart 1915:

Eerwaarde Heer Declercq vertrekt naar Wisques met vier weesmeisjes vanuit Watou en zes zusters van Sint-Juliaan die sinds het begin van de oorlog bij zusters van dezelfde orde in Sint-Jan-ter-Biezen verbleven.”

En Camille Delaere noteert in zijn oorlogsdagboek voor dezelfde datum: 

“Comme il a été dit plus haut, le 26 mars 1915, un petit groupe échappé des bombardements et se réfugie à St. Jean Wattou-lez-Poperinghe, vint prendre possession du ‘Grand Château’ de Wisques.”

Om de vastgelopen frontsituatie te proberen te doorbreken, gebruiken Duitse troepen in Langemark over een front van een zestal kilometer een nieuw wapen (chloorgas) in een poging om alsnog de kanaalhavens te bereiken.
Hun einddoel lukt niet, maar het front schuift enkele kilometers op richting Ieper.
Dit is meteen het sein voor de resterende burgers in Ieper en omgeving om te vluchten.  Een nieuwe grote vluchtelingengolf ontstaat.  Die eindigt op 9 mei 1915, de dag waarop de laatste (enkele tientallen) burgers Ieper, waaronder E.H. Camille Delaere, op militair bevel dienen te verlaten.

De Tweede slag bij Ieper met de eerste chemische aanvallen in de thuisgemeente Langemark zijn de rechtstreekste oorzaak van een eerste overlijden in het weeshuis te Wisques: op woensdag 28 april 1915 werd een babytje van ongeveer 3 maand oud van Poperinge naar de crèche in Wisques gebracht.  Het overleed er de volgende morgen, naamloos…  Uit het autopsieverslag: het meisje was sterk cyanotisch, had een uitgesproken overlapping van de laterale fontanellen, had een wond aan de navel en verspreidde een kenmerkende geur van bloed.  

Op 1 augustus 1915 is de oorspronkelijke groep van 19 kinderen uit het weeshuis van Sint-Juliaan (situatie april 1915) al aangegroeid tot 93 meisjes (zonder de meer dan 20 jongens en meisjes in de crèche mee te rekenen).

Het leven in Wisques gaat door.  De eerste ‘directeur’ E.H. Achiel Declercq vertrekt naar de de school van de Koningin in Wulveringem:
[Camille Delaere]:

“E.H. Declerq werd benoemd tot aalmoezenier van de scholen die Hare Majesteit de Koningin der Belgen in Wulveringhem had opgericht en ik kwam hem op 28 oktober 1915 in Wisques vervangen.”

Voor Delaere is het een voortdurende zoektocht om nieuwe financiële middelen te vinden om zijn weeshuizen draaiend te houden, zeker nadat de ‘Aide Civile Belge’ in het voorjaar 1916 beslist om beide instellingen niet langer financieel te steunen. 
Het feit dat hij de ‘onafhankelijkheid’ van de weeshuizen t.o.v. de overheid wil bewaren, maakt die opdracht er zeker niet gemakkelijker op.

In voorbereiding op de “Derde slag om Ieper” willen de Britten de boog ten zuiden van de Ieperboog rechttrekken. Na de explosie van de mijnen en de bestorming door Britse troepen van de heuvels tussen Wijtschate en Mesen.
Op 7 juni 1917 boeken de Britten een (beperkte) vooruitgang na de ontploffing van een 19-tal dieptemijnen rond Wijtschate en de omgeving van Mesen.

Het is een van de weinige keren dat Delaere zich in zijn nota’s uitspreekt over het oorlogsverloop:

“Donderdag 7 juni – Sacramentsdag.
Plechtige communie van twaalf van onze kinderen: Brachez Marg., Cordonnier Judith, Dequecker Maria, Dillies Martha, Doolaeghe Jeanne, Hesschentier Zulma, Seynaeve Clémentine, Timperman Mad., Tuyttens Adrienne, Vandewaetere Germaine, Vandromme Mad., Vanhaverbeke Paula.
Ze dragen een witte jurk en een witte sluier; ze zijn goed voorbereid en in de zevende hemel van geluk.
Op deze dag nemen de Engelsen Mesen en Wijtschate in. Deo Gratias.

Tijdens de ‘Derde slag’ willen de Britten de Duitse linies doorbreken om de duikboothavens Oostende en Brugge te veroveren.
Het front verschuift opnieuw, in oostelijke richting, weg van Ieper, tot een verste vooruitgang met een achttal km.

De derde slag bij Ieper heeft geen directe gevolgen voor de weeshuizen in Wisques en Wizernes.  De hevige gevechten in de omgeving van Ieper zorgen wél voor de oprichting van nieuwe ‘kolonies’ verder in Frankrijk om kinderen die nog in de Westhoek verblijven (vooral in de zone tussen Ieper en de kust), naar een veiliger omgeving te brengen.
Duitse vliegtuigen bereiken wel de omgeving van St-Omer om er bommen te droppen.  Die nachtelijke bombardementen veroorzaken veel onrust bij de weeskinderen.

Uit het (tweede) dagboek van Camille Delaere:

“01.08.1917
Ik trek nog eens naar Poperinghe om voorraad. De stad zelve wordt sedert twee dagen niet meer beschoten. Wie weet, de vijand met zijne gewone kanons kan er misschien niet meer aan daar hij daags te voren moest wijken op 28 Km. Tot bij Waasten en over Steenstraete: Hollebeke, Zillebeke, ‘t Hooghe, Frezenberg, Pilkem, Zonnebeke, St.-Julien, Langemarck, Bixschote enz. wierden hem ontnomen.

Duitsche tauben kwamen tot boven ons weezenhuis. Den 23 Oogst lieten zij drie torpillen vallen op St.-Omaars-Haut-Pont. Zij mieken 7 dooden, een dertig gekwetsten en vernielden verscheidene huizen. Drie avonden rekewijs vanaf 9 u. tot middernacht kwamen zij bommen werpen op St.-Omaars en omtrek.
De Engelsche kanonnen beschoten ze dapper. Het zoeklicht der projecteurs en het losbranden der kanonnen mieken een akelig vuurwerk en joegen, niet min dan het ronken der tauben, aan veel van ons volk en gebeuren de vrees op het lijf.”

Duitse troepen ondernemen hun laatste poging om de kanaalhavens te veroveren en zo de toevoer van troepen en voorraden vanuit Groot-Brittannië af te snijden.
Op 9 april 1918 starten ze hun offensief tussen La Bassée en Armentières en bereiken de Leie bij Estaires.
Op 10 april zijn de Duitse acties nu vooral gericht ten zuiden van de Ieperboog. Ploegsteert, Mesen en Hollebeke worden door de Duitsers bezet.  Ze boeken hun  grootste vooruitgang van de oorlog in de regio.

Dit Duitse lente-offensief heeft daarmee de zwaarste gevolgen in de oorlogsperiode voor beide weeshuizen. 
Door de Duitse vooruitgang komen ze dichter bij Wisques en Wizernes.  Ook de Duitse vliegtuigen vormen nu een reëel gevaar.
Doordat het weeshuis van Wizernes relatief dicht van een voor de geallieerden strategische spoorlijn ligt, zijn de bombardementen hier heviger en dreigt er vooral gevaar voor het weeshuis daar.  Daarom wordt het uiteindelijk geëvacueerd naar Joué-les-Tours.

[Delaere]:
9/4/1918
Het bombardement op Poperinge maakt veel slachtoffers (10 doden, 25 gewonden) en stopt pas de volgende dag rond de middag.
De vijand nadert, hij komt vanuit Ploegsteert, Steenwerck, Armentières, enzovoort.

12/4/1918
Vrijdag 12 april – De crèche van Caëstre arriveert bij ons; voorlopig wordt deze ondergebracht in de barak: 23 baby’s, tien verzorgsters, een directrice en een adjunct-directrice.

13/4/1918
Juffrouw Van Uxem arriveert: het dorp Caëstre is geëvacueerd en gebombardeerd; zij heeft een nacht onder de blote hemel doorgebracht en komt bij ons in tranen na het verlaten van haar huis (haar ouders zijn vertrokken naar de Charente), haar school en het bijbehorende materiaal.
Andere vluchtelingen komen aan: de moeder-oversten van Ieper willen de oude zusters uit St. Omer evacueren, dat afgelopen nacht werd getroffen door bommen, waarbij een vijftiental burgers omkwamen.

19/4/1918
Vrijdag 19 april – Een twintigtal vluchtelingen uit Nieuwkerke overnachten in de barak.

27/4/1918
Zaterdag 27 april – De moeder-overste wordt per telegram opgeroepen om haar oude moeder uit St. Jan Watou te halen en hier te installeren.

14/5/1918
De week van 12 tot 19 mei is zorgwekkend. Bijna elke nacht, op één uitzondering na, bezoeken Duitse vliegtuigen ons; ze laten veel bommen vallen, veroorzaken schade en maken slachtoffers in de omgeving.
De slaap wordt verstoord door het lawaai van explosies en ontploffingen. Ondertussen blijf ik zoeken naar een mogelijke schuilplaats als het leven van de kinderen te veel gevaar zou lopen.
Gravin Et. de Beaumont stelt “La Chaumelle” in Joué-lès-Tours ter beschikking voor het weeshuis van Wizernes.
In de nacht van 20 op 21 mei valt een bom op korte afstand, aan weerszijden van het weeshuis van Wizernes; vier buren worden gedood.
De paniek grijpt het gezelschap aan; er wordt besloten om naar Joué te vertrekken…

Op 11 november 1918 noteert Camille Delaere in zijn dagboek enkel “Wapenstilstand! Vrede! ’t Vaderland vrij! Leve België!”

Na enkele maanden worden de meeste kolonies afgebouwd en opgegeven, kinderen keren terug naar de Westhoek.  Niet zo met echter met Wisques.
Doordat de meeste meisjes daar écht wees zijn (met minstens één overleden ouder, maar geregeld ook zonder beide ouders), dient E.H. Delaere hiervoor een oplossing te vinden.  Gemakkelijk is dit niet, de hulpbronnen drogen na de wapenstilstand al snel  financieel en materieel uit.
E.H. Delaere zorgt er voor dat de meisjes uiteindelijk terecht kunnen in de nieuwe stichting St-Camillus in Sint-Andries Brugge.  Met Pasen 1920, ondertussen al  anderhalf jaar na wapenstilstand, is iedereen ter plaatse, het verblijf in Wisques had vijf jaar en een paar dagen geduurd…