Van het 'Tehuis voor behoeftige meisjes' in Sint-Juliaan naar 'L'Orphelinat Belge de Wisques'

Schoolkolonie Wisques Sint-Juliaan Eerste Wereldoorlog

In het weeshuis van Sint-Juliaan, officieel een ‘tehuis voor behoeftige meisjes’, verbleven voor de Eerste Wereldoorlog een 50-tal weesmeisjes.

Op ‘Schuwe maandag’ 19 oktober 1914 passeerden honderden vluchtelingen uit de regio tussen Sint-Juliaan en Roeselaere door ons dorp.  Een aantal van hen vroeg én kreeg onderdak in het klooster en het weeshuis, anderen trokken verder, op de vlucht voor de Duitse troepen.

De volgende morgen (20 oktober 1914) werden ook het klooster, de school en het weeshuis in Sint-Juliaan ontruimd. Ruim de helft van de wezen kon vooraf bij hun familie ondergebracht worden. 
De overige 22 meisjes konden niet tijdig weggebracht worden en vluchtten met Zuster Paula en enkele medezusters naar Sint-Jan-ter-Biezen (Watou): Maria en Alix Bintein, Rachel, Clotilde en Maria Christiaens, Julia Creupelandt, Suzanne Deleu, Marie Demeestere, Marguerite Denys, Marie Devalejo, Léontine Pynaert, Marguerite Tournicourt, Suzanne, Adrienne en Germaine Tuyttens, Maria Vandendriessche, Julia, Jeanne en Paula Vanhaverbeke (zusjes van Zr. Scholastique) en nog drie andere meisjes waarvan we de naam nog niet konden achterhalen maar die niet in Wisques zou terecht komen doordat ze eerder een onderdak bij familie vonden, zo nam een grootvader reeds bij de passage door Ieper de zorg over twee van zijn kleindochters over.
Moeder-Overste Zr. Godelieve volgde hen met de drie resterende zusters de volgende dag 21 oktober.

De zeven zusters die op 20 en 21 oktober 1914 uit Sint-Juliaan vertrokken (van oud naar jong): Zr Paula, Zr Godelieve, Zr Hilaire, Zr Clémence, Zr Marie-Elisabeth, Zr Marie-Jeanne en Zr Marie­-Scholastique.

De groep bleef ongeveer een half jaar in St.-Jan-ter-Biezen, gedeeltelijk in het klooster (net als het klooster van Sint-Juliaan een afdeling van ‘de Paulinen’ van Kortrijk) en gedeeltelijk bij enkele gezinnen.

Camille Delaere, de toenmalige pastoor van de Ieperse Sint-Pietersparochie, zocht in het voorjaar 1915 een veiliger vluchtoord.
Hij kreeg een kasteel in Wisques ter beschikking (de huidige Abbaye Saint-Paul, ten westen van Saint-Omer).
Deze locatie was verder van het front verwijderd en dus veiliger.  Er was echter één voorwaarde aan verbonden: de zusters van Sint-Juliaan moesten ook andere oorlogswezen en vluchtelingenkinderen opnemen.
Enkele maanden later verbleven er reeds een 130-tal kinderen.

Van E.H. Delaere wordt gezegd dat hij een vader was voor de zusters en de kinderen. Bijna wekelijks begaf hij zich vanuit Ieper naar Wisques, telkens met een wagen vol materiaal en voedsel: “eene naaimachien der Lamothen, een waschmachien der Zwarte Zusters, stoven, boeken en meubels”.

Enkele weken na de opstart in Wisques begon in de thuisgemeente Langemark, de gasaanval van 22 april 1915.  Toen moesten ook de laatste Ieperlingen hun stad verlaten.  Zo ook de oprichter van de twee weeshuizen Pastoor Camille Delaere. Hij verbleef tot het einde van de oorlog vooral in het weeshuis te Wisques.

E.H. Delaere liet enkele oorlogsdagboeken na. 

  • Het eerste deel is haastig neergeschreven en ‘in stukken en brokken’. Het beschrijft de periode vanaf het uitbreken van de oorlog tot het moment dat hij niet meer in Ieper mocht verblijven na de gasaanvallen.
  • Zijn tweede deel is netter en gestructureerder geschreven.  Daarin schrijft hij over het leven in Wisques en zijn talrijke tochten naar Ieper en de zone achter het front waarbij hij blijft doorgaan met redden wat er nog te redden valt.
  • Het derde en laatste deel begint op 12 februari 1919, de datum waarop hij benoemd wordt tot deken van Ieper en gelast wordt ‘met het stichten van posten en benoemen van priesters in het verwoeste deel van het bisdom’, hij wordt m.a.w. de kerkelijk verantwoordelijke voor de heropbouw van de hele verwoeste Westhoek. Dit deel is al heel snel nog maar nauwelijks leesbaar: je ziet en leest in zijn handschrift letterlijk hoe hij zich de volgende 10 jaar van zijn leven bijna doodwerkte.

Uit het dagboek enkele citaten die ons iets meer vertellen over het leven van de zusters en hun weeskinderen.

  • 28 oktober 1915: Donderdag. Dat stille leven komt zo vreemd voor: ’t waait en ’t regent.  In ’t schuifelen van den wind meen ik het schuifelen der bommen te ontwaren.  Hoe stichtend het gezang der kinderen, het antwoorden aan de gebeden der H. Mis, de algemeene communie onder de mis.  Een andere wereld!
  • 18 december 1915: Zaterdag.  Twee kleinen sterven aan bronchopneumonie in de crêche.  Een Fransche soldaat maakt de kistjes.  De begraving heeft plaats te Hallines den 20en.
  • 1 januari 1916: Zaterdag.  De sergeanten van de school houden er aan de kinderen eenen kerstboom aan te bieden: kostelijk speelgoed, nuttige voorwerpen en lekkernijen worden uitgedeeld.
  • 26 april 1916: Hare majesteit kwam onze gestichten bezoeken.
  • 1 juni 1916: Veel officieren en soldaten komen aan in de abdij.  Kolonel Legett laat toe dat de kinderen den overschot van het eten gaan afhalen.
  • Onze trekpeerdjes komen af met kostelijken voorraad.  Nog een koordje aan onze boog.  Deo gratias.
  • 16 januari 1917: Dinsdag. Onze goede Koningin brengt met prinses Marie-José aan onze kinderen van Wisques prachtige nieuwjaarsgeschenken, smakelijk en nuttig.

Over het leven van de kinderen in Wisques vernemen we ook een en ander door wat Adronie Boudry mij eind vorige eeuw vertelde. Adronie was toen 96 jaar.  Zij kwam toe in Wisques op 7 april 1915, de dag ná de aankomst van de meisjes uit Sint-Juliaan, en bleef er tot zij met de voorhoede naar Sint-Andries Brugge vertrok na de oorlog. Zij was in Wisques een van de oudste meisjes. Zij vertelde o.a. over de deugnieterijen die ze uitspookten en dat ze daarvoor bijna nooit gestraft werd. Meermaals spreekt zij heel lovend over het werk dat de zusters er verrichten.

Na de oorlog is het weeshuis niet meer naar Sint-Juliaan teruggekeerd. De ondertussen tot Deken van Ieper benoemde Delaere stichtte in Sint-Andries Brugge het Sint-Camillusgesticht. Hij liet er een groot gebouw optrekken waarin klassen, een werkzaal, een eetzaal, een washuis, een kapel en een slaapplaats ondergebracht waren. De grote verhuizing van personeel, voorraad en inboedel gebeurde op 30 maart 1920.  Elf lorries en ambulances van het Amerikaanse Rode Kruis zorgden voor de overbrenging. Op die manier verdween het weeshuis definitief van zijn oorspronkelijke standplaats Sint-Juliaan.

Er zijn niet zoveel directe informatiebronnen over de schoolkolonie te Wisques…
Ook in het archief van de kloosterorde, vinden we maar weinig terug.
De zusters Paulinen uit Sint-Juliaan hadden in Wisques waarschijnlijk vooral een ‘dienende rol’, terwijl de eigenlijke beslissingen aanvankelijk boven hun hoofd werden genomen in het kader van de Aide Civile Belge, weliswaar vanuit en met goede bedoelingen en véél goede wil.
Ik vermoed dat de zusters ’s avonds té moe waren om nog veel te noteren.  Met z’n achten nagenoeg 130 kinderen ‘bezig houden’, 24/24 en 7/7 en voor álles te moeten instaan, moet een héle opdracht geweest zijn.

Welke bronnen zijn er dan wel waaruit we iets kunnen sprokkelen over het leven in de kolonie van Wisques?


Dagboeken
Er zijn een aantal gepubliceerde dagboeken die door belangrijke betrokkenen zijn bijgehouden.

– Een eerste belangrijke bron over die tijdsperiode zijn de nota’s in de dagboeken van de oprichter van het weeshuis te Wisques: Camille Delaere.
Camille Delaere hield heel wat aantekeningen bij over deze hele periode.
Het eerste dagboek is haastig en in het Frans neergeschreven, ‘in stukken en brokken’. Het beschrijft de periode vanaf het uitbreken van de oorlog tot het moment na de gasaanvallen dat hij niet meer in Ieper mocht verblijven en een tijd later Wisques zijn uitvalsbasis wordt tot het einde van de oorlog.
Dan begint hij aan het tweede deel van zijn dagboek.  Dat is de voortzetting van het dagboek dat begonnen werd door onderwijzeres Maria Van Uxem.
Die nota’s zijn netter en gestructureerder geschreven en in het Nederlands. Zijn leven wordt iets minder gejaagd en ook een stuk veiliger.  In dat dagboek schrijft hij over het leven in Wisques en zijn talrijke tochten naar Ieper en de zone achter het front waarbij hij maar blijft doorgaan met redden van wat er nog te redden valt.
Deze twee delen werden in de tweede helft van de jaren 1970 gepubliceerd door Jozef Geldhof, in zijn reeks ‘Oorlogsdagboeken over Ieper (1914-1915)’ voor de Genootschap voor Geschiedenis – Brugge.

– Notities genomen in dezelfde periode en over dezelfde feiten, maar reeds uitgegeven in 1918 (!) door een uitgeverij in Rouen, kunnen we nalezen in ‘Journal d’une soeur d’Ypres, Octobre 1914 à mai 1915’, het verslag van Zuster Margriet-Marie van de Zusters van Maria in de Rijselstraat te Ieper (véél beter gekend als ‘de Lamotjes’). 
Eind de jaren 1920 werden de nota’s van ‘Journal d’une soeur d’Ypres’ gepubliceerd door de krant ‘Het Ypersche – La Région d’Ypres’.
André Gysel heeft het dagboek van Zr. Margriet naar het Nederlands vertaald en in 2002, 84 jaar na de oorspronkelijke uitgave, opnieuw uitgegeven bij de Uitgeverij Snoeck-Ducaju&Zoon onder de titel ‘Oorlogsdagboek Ieper 1914-15  Zuster Margriet-Marie’.
In haar dagboek noteert Zr. Margriet héél secuur wat er gebeurt.  Een andere betrokkene, Winthrop Young (zie hieronder), schrijft daarover [vertaald uit het Engels]: “Haar snelle oogopslag en haar goed geheugen hielpen haar om trouw te noteren waar iedereen stierf of haastig begraven werd tussen ruïnes en binnenhofjes.  “Velen zullen dit later willen weten“, wist ze me te vertellen.”
En gelijk heeft Zr. Margriet! Dank zij haar nauwkeurige notities kunnen we enkele meisjes van Wisques een naam geven en komen we iets meer over hen te weten.

Geoffrey Winthrop Young, een gewetensbezwaarde die in de regio Ieper als commandant van de vrijwilligersorganisatie Friends’ Ambulance Unit dienst kwam doen tijdens het eerste deel van de oorlog zorgde voor een derde reeks gepubliceerde getuigenissen.
Reeds in het voorjaar 1915 publiceerde hij “A Story of the Work of the Friends’ Ambulance Unit  Oct. 1914-April 1915”.  In die publicatie heeft hij het over de vorming van The Friends’, hoe ze eerder toevallig in het Ieperse terecht komen, wat ze er deden en hij eindigt net in de periode dat de Friends’ mee instaan voor de oprichting van beide weeshuizen in Wisques en Wizernes.
In 1953 schreef hij zijn oorlogservaringen uit de Eerste Wereldoorlog neer in ‘The Grace of Forgetting’.
Zijn nieuwe verslag is nu meer algemeen, zonder de gedetailleerde timing die we vinden in de dagboeken van Camille Delaere en van Zr. Margriet.  Door de drie dagboeken echter naast mekaar te leggen, kunnen we de gebeurtenissen die Young beschrijft, toch in de tijd gaan plaatsen.
Young schrijft zijn verhaal bijna 40 jaar na de feiten en dus meer van ‘op afstand’.  Toch blijkt zijn grote waardering en diepe vriendschap voor bovenstaande andere twee betrokkenen, Camille Delaere en Zr. Margriet!


Niet-uitgegeven dagboeken

– De eerste ‘directeur’ van het weeshuis in Wisques, Achiel Declercq, hield zorgvuldig een verslagboek bij over ‘Wisques’.  Na het vertrek van Declercq naar de ‘Scholen van de Koningin’ nam zijn opvolger Camille Delaere het verslagboek over. 
Declercq beschrijft de praktische opstart van het weeshuis, daarna volgen er weekoverzichten, wellicht bedoeld om verantwoording af te leggen aan de Aide Civile Belge, de organisatie boven Wisques.
In de weekoverzichten wordt genoteerd welke kinderen die week aankomen, hoe het zit met de algemene gezondheidstoestand, welke (materiële) noden er zijn en wie er op bezoek komt…
Nadat de Aide Civile Belge het weeshuis loslaat in het voorjaar 1916, laat Camille Delaere de verslagvorm per week vallen en noteert hij per datum welke voorvallen er zijn.  Het gaat dan heel dikwijls over de aankoop en schenkingen van kolen, hout, chocomelk, aardappelen, barakken, kledij, knutselgerief, …, kortom alles wat nodig is om het weeshuis praktisch draaiend te houden.  Jammer genoeg staat er niet zoveel echte informatie in over de activiteiten in de instelling en het leven van de weesmeisjes en hun begeleidende kloosterzusters.
We plannen de publicatie van dit verslagboek en van andere dagboekfragmenten die op Wisques betrekking hebben als een nieuw onderdeel van deze Wisquespagina’s.

– Er zijn de notities van Colin Rowntree.
Colin Rowntree was 23 jaar en net getrouwd. Hij had één maand opleiding ‘eerste hulp’ achter de rug toen hij als onbezoldigd vrijwilliger in dienst trad van de The Friends’ Ambulance Unit. Rowntree reed tussen oktober 1914 en april 1916, net als enkele andere ambulanciers in opdracht van Aide Civile Belge, dagelijks rond in de Belgische en Franse Westhoek om dokters, personeel, zieken, gekwetsten, kinderen, vluchtelingen of goederen te vervoeren.
Zo vervoerde hij geregeld bovenstaande betrokkenen van her naar der en zo komen we ook weer iets te weten over wat er bv. in Wisques gebeurde.

– Ook de Gravinnen Maria van den Steen de Jehay (Voorzitster van de Aide Civile Belge) en Louise d’Ursel (Eveneens ACB met vooral het luik ‘Schoolkolonies’ en ‘Kantschool’) hielden notities bij.
De nota’s van Maria van den Steen de Jehay en van Louise d’Ursel werden in het kader van enkele scripties geconsulteerd en zo zijn ze ook voor ons onderwerp informatief geweest:
– ‘Gezondheidszorg in de onbezette Westhoek tijdens Wereldoorlog Eén : casestudy: het Elisabeth-hospitaal te Poperinge‘.  De masterscriptie (2008) van Charlotte Jacobs.
‘Soms genezen, dikwijls verlichten, altijd troosten’  Belgische verpleegsters tijdens de Eerste Wereldoorlog.  De masterscriptie (2017) van Luc De Munck

Florence De Moreau de Villegas de Saint-Pierre gebruikte de nota’s en dagboeken van haar groottante Maria voor de publicatie ‘Une châtelaine dans les tranchées’ (Uitgegeven bij Racine).


Getuigenissen
We beschikken ook over enkele getuigenissen van kinderen die ‘Wisques’ meegemaakt hebben.
– Zo is er bv. Jozef Luyssaert, geboren op 30 januari 1915 in Oost-Vleteren.  Zijn moeder stierf twee weken later op 16 februari, wellicht aan de gevolgen van buiktyfus.  Drie maanden later wordt de kleine Jozef, samen met zijn zusjes Madeleine (5), Marie-Jeanne (4) en Agnes (2) met een auto van de Friends’ Ambulance Unit door Comtesse Louise d’Ursel in Oostvleteren opgehaald om naar de veiliger omgeving van de kolonie van Wisques overgebracht te worden.  Hij overleeft bijna niet.  Doordat hij bij zijn geboorte nauwelijks borstvoeding had gekregen, kreeg hij koemelk als vervanging en reageert daar allergisch op.  Op 20 september 1915 is hij al ongeveer acht maanden oud en weegt hij 2,600 kg.  Hij wordt er heel bijzonder verzorgd door juffrouw Philomène Menten (een kleuteronderwijzeres uit Ieper (in het schooltje van de Zusters van St.-Jozef aan de Verlorenhoek waar later tijdens de oorlog in de schooltuin de Franse begraafplaats van St.-Charles de Potyze ontstond), helpster bij het Ieperse Rode Kruis en ondertussen hoofdverantwoordelijke voor de crèche in Wisques).  Philomène houdt Jozef in leven met karnemelk en chocolade (op aangeven van een Britse legerarts).  Philomène zou ongehuwd blijven en Jozef werd als het ware haar zoon.  Later werd Jozef, net als zijn ‘pleegmoeder’, ook onderwijzer en Jozef heeft alles over zijn bewogen jeugd netjes bijgehouden!  Via Jozefs zoon Jan kunnen we ook dankbaar van die informatie over Wisques gebruik maken.

– Jaren geleden kreeg ik ook wat documenten i.v.m. de zusjes Julia (°1898), Jeanne (°1903) en Paula (°1906) Vanhaverbeke uit Kortrijk.  Hun mama was overleden en zij verbleven in het weeshuis van Sint-Juliaan bij hun grote zus en ook letterlijk ‘Zuster’ Marie-Scholastique (Maria Vanhaverbeke °1893) en vluchtten mee, eerst naar Sint-Jan-ter-Biezen (Watou) en een half jaar later verder naar Wisques.

– Een heel fijne en interessante bron van informatie was Adronie Boudry, geboren in Geluveld op 7 oktober 1899.
Begin de jaren 1980 was ik opzoekingen gaan doen in de archieven van de abdij in Wisques en had daar mijn telefoonnummer achtergelaten.  Tien jaar later krijg ik een telefoon van iemand die zegt dat haar tante mij eens zou willen spreken.  Die mensen komen af en Adronie, toen al met een zeer gezegende leeftijd van 96 jaar, maar nog uiterst helder van geest, begint te vertellen.  Ze was nog één keer met haar familie teruggegaan naar Wisques, ze hadden daar mijn contactgegevens gekregen en nu kon ze eindelijk eens haar verhaal doen aan iemand die écht geïnteresseerd luisterde 🙂 : hoe ze met haar zusjes in Wisques terecht kwam en haar broertjes in Wizernes en hoe haar moeder later, tijdens haar verdere vlucht, gewond raakte en verzorgd werd in het hospitaal van Poperinge, in het hospitaal aangesproken wordt door de Comtesse d’Ursel met de vraag of zij voor kinderen kan zorgen.  Enkele dagen later start haar ma Sidonie Lowagie als helpster in de crèche van Wisques.  Op de foto’s is zij duidelijk herkenbaar want de enige die geen Rode Kruis-kenteken draagt van verpleegster.  Voor mij was dit toen de allereerste keer dat ik verhalen hoorde over hoe het leven in de kolonie van Wisques verliep voor de kinderen die er verbleven.
Gelukkig had ik destijds bij Adronie’s bezoek ook nog helderheid van geest om snel een cassette-recorder en twee cassetjes uit te halen om alles wat ze vertelde op te nemen ‘voor later’ (voor nu dus :-))

– Er zijn opstelletjes die 110 jaar geleden geschreven werden door meisjes die verbleven in “L’orphelinat Belge de Wisques”.
De meisjes die er in de klas van onderwijzeres en tevens Moeder-Overste Soeur Godelieve zaten, kregen van haar een opdracht die vermoedelijk ergens als volgt moet geklonken hebben:

“Meisjes, jullie moeten een opstel van een bladzijde en half schrijven. Daarin moet staan wie jullie zijn, waar jullie voor de oorlog woonden, hoe jullie familie in mekaar zat, waarom en wanneer jullie gevlucht zijn, wat er gebeurde tijdens die vlucht en dat jullie hier nu in Wisques zijn. Vergeet zeker niet er nog bij te schrijven dat jullie het hier goed stellen, dankzij E.H. Bestuurder en de goede zorgen van de zusters!”

Deze opstellen geven ons geen informatie hoe het leven in Wisques zelf verliep, maar geven daarentegen wél een treffend beeld van wat die kinderen meemaakten in de periode dat ze op ‘den tsjool’ waren vooraleer ze een beter onderkomen vonden in Wisques.  Dit zijn meestal geen getuigenissen waarvan je echt vrolijk wordt…
Meisjes uit Sint-Juliaan zijn momenteel (november 2025) bezig met die opstellen in te lezen.  Het is de bedoeling om daarmee in de toekomst een soort podcast te maken.
Enkele van die opstellen liggen in de ‘Wisques-hoek’ in de tijdelijke tentoonstelling ‘Ontheemd’ van het In Flanders Fields Museum.


Webpagina’s

– Ooit is Ghislain Kuyle, voormalig directeur van de kunstacademie in Poperinge (mét bijhorende kantschool), in dat kader gestart met een website ‘Kantwerk’, verwijzend naar één van de activiteiten van het Aide Civile Belge die materiaal bezorgde aan de Poperingse kantwerksters met de bedoeling dat die hun kantwerk konden laten verkopen door de ACB om op die manier een vorm van inkomen te hebben.  Voor de vrouwen die tijdens de oorlog in Poperinge bleven wonen, waren er immers maar weinig bronnen van inkomsten: meehelpen in de militaire wasserijen die kledij van militairen in orde brachten, een café open houden waar militairen op rust terecht konden, kantkloswerk produceren en verkopen,… en prostitutie.
Een andere activiteit van de ACB was de kolonies van Wisques en Wizernes financieel en materieel draaiend houden en via de Friends’ Ambulance Unit ook andere kolonies ondersteunen.  Het luik ‘kantwerk’ op de website werd bijgevolg een flink uit de kluiten gewassen website over schoolkolonies tijdens de Eerste Wereldoorlog.

– Een andere webpagina met informatie over ‘Wisques’ omvat informatie afkomstig uit het archief van de St-Paulusabdij in Wisques en is gebaseerd op teksten van René Flahault, een monnik van de abdij die zich sterk interesseerde in de heemkunde van de streek rond St.-Omer: La guerre 1914-1918, dans la Vallée de l’Aa


Publicaties

Twee recente boeken vertellen verhalen van koloniekinderen:

– Een héél degelijk werk over de schoolkolonies tijdens de Eerste Wereldoorlog is het boek ‘De Kinders van den Yzer 1914-1918’ van Luc Selis.  Een aanrader voor wie zich wenst te verdiepen in het onderwerp van de schoolkolonies in het algemeen!

– Een ander boeiend verhaal met een gelijkaardige titel is het boek van Anne Provoost dat het verhaal van haar grootmoeder Anna vertelt: ‘Kinderen van de IJzer’.
Dit boek is een persoonlijker verhaal. Het illustreert treffend de gevoelens en emoties voor zowel de koloniekinderen als voor wie thuis bleef…


Geraadpleegde archieven voor dit project over ‘Wisques’:

  • Parochiearchief Sint-Juliaan
  • Archief van de Vrije Basisschool Sint-Juliaan
  • Archief van het bisdom Brugge
  • Archief van de Zusters Paulinen in Kortrijk
  • Parochiearchief Sint-Jan-ter-Biezen Watou
  • Archief van l’Abbaye St-Paul de Wisques
  • Archief van de ‘Société Académique des Antiquaires de la Morinie’ St-Omer
  • Stedelijk archief Ieper
  • Stedelijk archief Diksmuide
  • Persoonlijke archieven van betrokkenen in dit verhaal
  • Kenniscentrum van het In Flanders Fields Museum Ieper
  • Algemeen Rijksarchief Brussel
  • Quaker & Special Collections, Haverford College, Haverford, PA.
  • Archief van het American Red Cross in het Amerikaanse Congres in Washington D.C. USA

Het is bijzonder moeilijk om door het bos nog de bomen te blijven zien als we het hebben over ‘schoolkolonies’ tijdens de Eerste Wereldoorlog…
De eerste ‘kolonies’ werden in het voorjaar 1915 opgericht op privé-initiatief en met privémiddelen, vervolgens financieel en materiaal gesteund door meestal nieuw opgerichte hulporganisaties.  Enkele weken later volgde de Belgische overheid…
Tegen het einde van de oorlog waren er tientallen kolonies, de meesten in Frankrijk…

Uit de toelichting bij de “Inventaire des archives du Ministère de l’Intérieur au Havre relatives aux Colonies scolaires belges en France et en Suisse, 1914-1919” in het Algemeen Rijksarchief:

In mei 1915 beloofde het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Frankrijk verschillende schoolkolonies te stichten om Belgische kinderen te evacueren die in gebieden aan het front achterbleven. Vanuit dat bestuur ontstonden er in vooral in Frankrijk een zestigtal “Kolonies van de Kinderen van de Ijzer” die werden ondergebracht in kastelen, oude scholen, boerderijen, verlaten fabrieken en hotels die gratis werden verhuurd of ter beschikking gesteld aan het Ministerie.
Deze onderwijsinstellingen, voornamelijk gevestigd in Normandië en rond Parijs, waren samengebracht in “groepen” waarvan het beheer aan verschillende bestuurders was toevertrouwd.
Elke kolonie was uitgerust met Belgisch personeel dat les gaf, georganiseerd volgens de programma’s die van kracht waren in de Belgische basisscholen.
Aan de koloniën van Normandië werd een ziekenhuis toegevoegd, gevestigd in Ouville-l’Abbaye, een dienst die verantwoordelijk was voor de bevoorrading, gevestigd in Yvetot, evenals een centrale kleedkamer, gecreëerd in Le Havre.
De schoolkolonies werden gefinancierd door toelagen die door de Franse overheid aan Belgische kinderen werden toegekend, door donaties van individuen en particuliere organisaties en door fondsen van het Belgian Relief Fund.
Parallel aan de actie onder leiding van de Belgische autoriteiten probeerden verschillende particuliere organisaties de geëvacueerde kinderen te helpen. Hiervan heeft het Amerikaanse Rode Kruis zichzelf gevestigd als een van de belangrijkste door deel te nemen aan de oprichting van koloniën verspreid over verschillende punten van het Franse grondgebied.
In mei 1918 boden de koloniën alleen al onder controle van het Ministerie van Binnenlandse Zaken onderdak aan ruim 7.300 kinderen. In dit cijfer wordt echter geen rekening gehouden met kinderen die in door particuliere organisaties beheerde koloniën verbleven, noch met kinderen die na een kort verblijf naar hun ouders werden teruggestuurd. In totaal overschrijdt het aantal kinderen dat naar de achterkant van het front is geëvacueerd en in schoolkolonies is gebleven de 10.000.

 

Hieronder een poging tot overzicht.

Scholen/kolonies opgericht vanuit privé-initiatief:

  • Aide Civile Belge: de eerste organisatie die kolonies opstartte
    • De Aide Civile Belge ontstond uit een samenwerkingsverband tussen enerzijds enkele dames uit de Belgische adel: Maria van den Steen de Jehay en Louise d’Ursel en anderzijds de Britse vrijwilligersorganisatie Friends’ Ambulance Unit.
      De Aide Civile Belge zou de koepel worden boven de oprichting van de weeshuizen van “Le Curè d’Ypres Camille Delaere” in Wisques en Wizernes, maar zou een jaar later de werking van beide weeshuizen niet langer financiëren.
    • 16 maart 1915: tijdelijke opvang voor jongens in de St. Sixtusabdij in West-Vleteren
    • 25 maart 1915: de meisjes uit het ontruimde weeshuis van Sint-Juliaan die ondertussen al ongeveer een halfjaar in St-Jan-ter-Biezen verbleven, krijgen een nieuw onderdak in Wisques waar de kolonie al snel uitbreidt tot een 130-tal meisjes.
    • 7 mei 1915: de kolonie voor jongens opent in Wizernes met de verhuis van de jongens die tijdelijk in St. Sixtus verbleven en die uitgroeit tot een kolonie van ruim 70 jongens.
  • l’Oeuvre des Enfants des Flandres / Kinderen van Vlaanderen / Children of Flanders Rescue Committee
    • Edith Wharton ging in april 1915 de uitdaging aan om kinderen uit de Westhoek in groep op te vangen en richtte op 2 mei 1915 The Children of Flanders Rescue Committee (Oeuvre des Enfants des Flandres / Kinderen van Vlaanderen) op.
    • 27 april 1915: weeskinderen uit twee instellingen in Poperinge komen aan in Parijs om de volgende maand te verhuizen naar École Brazillier in Sèvres en Le Nid in Montigny-sur-Loing.
    • 18 mei 1915: het eerste, door de Belgische regering, georganiseerde treinkonvooi kwam in Parijs. Die kinderen werden ondergebracht in de schoolkolonies van Garches, Champlan en te Parijs aan de rue de la Santé.
    • Gevolgd door nog een vijftal andere kolonies in Frankrijk
  • l’Oeuvre des Enfants de la Frontière / Kinderen van de Grens
    • De werkzaamheden van het ‘Comité Franco-Américain’ werden begin augustus 1914 in New York gestart als tijdelijke hulp voor vluchtelingen uit de door de oorlog getroffen gebieden. De hulporganisatie kreeg een permanenter karakter naargelang de oorlog vorderde, hulp noodzakelijker werd en ook kinderen uit enkele regio’s zoals de Elzas en de Westhoek werden opgevangen.
      Samen met het Franse Rode-Kruis werden daarna een vijfentwintigtal schoolkolonies en een sanatorium voor honderden Belgische en Franse kinderen opgericht.
    • Gravin Louise d’Ursel (Aide Civile Belge) was in april 1915 verantwoordelijk voor het overbrengen van kinderen uit Proven en Watou naar Versailles.
    • Gevolgd door 25 andere lokaties
  • Le Foyer Ecossais
    • Door Le Foyer Ecossais werden meer dan duizend kinderen naar Zwitserland overgebracht en in gastgezinnen geplaatst via het Comité Central Suisse en richtte de Rockefeller Foundation een aantal schoolkolonies op.
    • 15 juni 1915: Schoolkolonies in Zwitserland Comité Central Suisse -l’Oeuvre d’Hospitalation des Refugiés Belges
    • 23 september 1916: Schoolkolonies van Rockefeller Foundation en Comité de Fribourg in Zwitserland

 

Scholen/kolonies opgericht door de overheid:

  • Les Enfants de l’Yser – Kinderen van de IJzer
    • In mei 1915 begon ook het Belgische Ministerie van Binnenlandse Zaken onder Minister Paul Berryer in Frankrijk met de oprichting van schoolkolonies om Belgische kinderen te evacueren die in gebieden aan het front achterbleven.
      Vanuit die organisatie ontstonden er in vooral in Frankrijk een zestigtal “Kolonies van de Kinderen van de IJzer” die werden ondergebracht in kastelen, oude scholen, boerderijen, verlaten fabrieken en hotels die gratis werden verhuurd of ter beschikking gesteld aan het Ministerie.
      Deze onderwijsinstellingen, voornamelijk gevestigd in Normandië en rond Parijs, waren samengebracht in “groepen” waarvan het beheer aan verschillende bestuurders was toevertrouwd.
      Elke kolonie was uitgerust met Belgisch personeel dat les gaf, georganiseerd volgens de programma’s die van kracht waren in de Belgische basisscholen.
      De schoolkolonies werden gefinancierd door toelagen die door de Franse overheid aan Belgische kinderen werden toegekend, door donaties van individuen en particuliere organisaties en door fondsen van het Belgian Relief Fund.

    • De eerstopgerichte kolonies door de Belgische overheid:

      • 20 mei 1915: een schoolkolonie voor jongens in Garches
      • 21 mei 1915: in Champlan
      • 23 mei 1915: schoolkolonie voor meisjes aan de Rue de la Santé In Parijs.
  • De Koninginnescholen
    • In juli 1915 wordt het plan opgevat om twee scholen op te richten in Wulveringem, onder impuls van koningin Elisabeth en met medewerking van Gravin van den Steen de Jehay en van de Schotse verpleegster miss Fyfe.
      De twee scholen worden genoemd naar de jongste kinderen van de koningin: de afdeling Marie-José is bedoeld voor jongens en meisjes tussen 3 en 8 jaar oud, de afdeling Charles-Théodore voor kinderen tussen 8 en 15 jaar.

      Op 15 augustus 1915 gaat de afdeling Marie-José van start, op 2 september 1915 volgt Charles-Théodore.
      Op 28 oktober 1915 komt E.H. Achiel Declercq, tot die datum Directeur in Wisques, over om hier aalmoezenier te worden.

      Het aantal kinderen stijgt zienderogen. Van 40 kinderen bij de opstart worden er eind mei 1916 reeds 500 kinderen opgevangen. In 1918 zijn er meer dan 600 kinderen ondergebracht. Een filiaal in Bailleul herbergt 200 kinderen. Op bepaalde momenten zijn er meer aanvragen voor een verblijf in de zgn. ‘koninginnescholen’ dan de infrastructuur toelaat. Ook kinderen uit de regio Ieper-Poperinge vinden er onderdak.

De jongenskolonie in Wizernes staat organisatorisch een stuk los van Wisques.
Ze hebben gemeenschappelijk dat ze allebei opgericht zijn in dezelfde periode door Camille Delaere, dat de kinderen wees of halfwees moesten zijn om toegelaten te worden, dat beide aanvankelijk ondersteund werden onder de koepel van de Aide Civile Belge en dat vanaf halfweg 1916 Camille Delaere ‘zijn plan moest trekken’ voor de verdere organisatie en financiëring… 
Delaere wou immers de onafhankelijkheid van beide instellingen bewaren en wou niet dat de overheid het initiatief overnam.
Delaere kwam er zeer geregeld maar Wizernes had zijn eigen directeur/aalmoezenier en de verzorgende kloosterzusters waren van een andere orde dan de zusters Paulinen.

De kolonies van Wisques en Wizernes waren beide opgestart op initiatief van Camille Delaere onder de koepel van de Aide Civile Belge met de gravinnen Maria van den Steen de Jehay en Louise d’Ursel.  Hierdoor waren er nauwe banden tussen beide kolonies die slechts enkele kilometers van mekaar lagen. Veel zusjes verbleven in Wisques en hun broers in Wizernes.  Geregeld (ongeveer maandelijks) gingen de kinderen in groep bij wijze van ‘uitstap’ op bezoek bij mekaar.  Ook waren er enkele gezamenlijke feesten.

Ondanks de oorspronkelijke bedoeling om de schoolkolonie voor jongens in de St. Sixtusabdij in Westvleteren te organiseren, besloot de organisatie ‘Aide Civile Belge’ omwille van de veiligheid om de 40-tal jongens over te plaatsen naar Wizernes, op enkele kilometers van de kolonie in Wisques.

Op 7 mei 1915 startte de kolonie onder bestuur van de aalmoezenier en bestuurder Joseph Dilger en zuster Godelieve van het Ieperse weeshuis langs de Meenseweg, in de volksmond ‘De Sloetse’ genoemd naar de uniformmuts die de jongens er droegen en die deed denken aan pantoffels.  Over de Overste Godelieve noteert Winthrop Young in zijn ‘The grace of forgetting’ [Vertaald]: “… en een meesterlijke oude Eerwaarde Moeder Godalieve, die de reputatie had zelfs ‘jonge mannen die er een puinhoop van hadden gemaakt in het gareel te kunnen houden’, werd aan het hoofd van de jongensschool gezet.”

www.sint-juliaan.be - Wizernes
Groepsfoto van de jongens in het weeshuis in Wizernes. (Bron: Photographs, 1915-1916, Morley Family papers (MC 807), Quaker & Special Collections, Haverford College, Haverford, PA.)

www.sint-juliaan.be - Wizernes

In Wizernes, aan de voet van enkele lage heuvels langs de oevers van Aa, werd een onderkomen gevonden in twee dicht bij elkaar gelegen gebouwen (de ‘Patronage’ en een werkplaats) met een ruime tuin, allebei eigendom van Madame Pagniez (Anna Dambricourt).
Het aantal jongens steeg in de daaropvolgende weken tot 75. De neef van E.H. Dilger, priester Joseph Carreer, werd aangesteld als administratief medewerker van de schoolkolonie. Ze werden bijgestaan door zusters van de orde Saint-Vincent-de-Paul uit Gits .

Veel aandacht werd geschonken aan een praktische opleiding voor de oudere jongens.  Winthrop Young schrijft dat Camille Delaere al in Wizernes zorgde dat er bekwame werkers zouden klaar staan om Ieper na de oorlog herop te bouwen.

Richting Wisques, bovenaan de heuvel, stond de Abbaye Notre Dame van de Benedictinessen waar o.a. een trainingsschool voor Britse officieren lag. Iedere dag trokken de kinderen naar de top van de heuvel om de broodresten van de ontbijttafels op te halen waarmee de zusters dan een lekker gerecht klaar maakten.

Met het Duitse lente-offensief in de Vlaamse Westhoek in het voorjaar 1918 kwam het oorlogsfront iets dichterbij.  De verblijfplaats van de jongens lag dicht bij de spoorlijn die geallieerde voorraden naar het Ieperse aanvoerde met een belangrijk rangeerstation in Wizernes.  Daardoor werd de omgeving steeds meer gebombardeerd.  Om veiligheidsredenen verhuisden alle 74 kinderen uit de kolonie van Wizernes op 31 mei 1918 met de zusters naar Joué-lès-Tours waar ze het kasteel La Chaumette ter beschikking kregen. Het Amerikaanse Rode Kruis financierde de verplaatsing en de inrichting van deze nieuwe vestigingsplaats. Bestuurder Camille Delaere weigerde voordien een aanbod van de Belgische overheid om de kinderen over te plaatsen naar Loudun.
In Joué-lès-Tours bleef zuster Godelieve verantwoordelijk voor de dagelijkse werking.

Platte rust bij de kleinste jongens in Wizernes. (Bron: http://hdl.loc.gov/loc.pnp/anrc.17296a)

En toen gebeurde er iets wat ik nooit zal vergeten: de kleintjes, drie- en vierjarigen, hadden gegeten en gespeeld en moesten nu een middagdutje doen. Werden ze als gewone kindjes naar bed gebracht? O nee! Ze kwamen het klaslokaal binnen getrippeld, hun grote ogen vol verwondering gericht op de vreemde dame. Wat verlegen en heel stil schoven ze langs hun babybankje, tegen elkaar aan kruipend. Toen, op een woord van de juf, gingen al die kleine rechterarmpjes tegelijk op tafel, de perfect ronde hoofdjes zakten in de ellebogen, drie keer knipperen en alle oogjes waren dicht. Als erwten in een peul sliepen ze. Wat had ik daar graag een filmopname van gehad!